De Europese Commissie stelt dat deze wet kan leiden tot minder afval, lagere CO2-uitstoot en besparing voor consumenten van zo’n €12 miljard. Goed nieuws, zou je denken.
Maar de praktijk is weerbarstiger. Reparateurs schetsen een ander beeld: softwarelocks die onderdelen blokkeren, reserveonderdelen die bijna net zoveel kosten als een nieuw toestel, en apparaten die zo dicht gelijmd zijn dat je ze alleen met een hamer open krijgt. Deze obstakels verdwijnen niet automatisch met de nieuwe wetgeving.
Het recht op reparatie is een goed idee, maar in de praktijk schiet het tekort. De wet schrijft voor dat reparatie mogelijk moet zijn, maar laat volledig open hoe toegankelijk, betaalbaar en eerlijk die reparatie moet zijn. Dat geeft fabrikanten alle ruimte om reparatie juridisch mogelijk, maar praktisch ontmoedigend te maken. De technologie en kennis om te repareren bestaat, maar vaak ontbreekt de wil. Want waarom zouden fabrikanten voor de moeilijke weg kiezen als het ook makkelijk kan?
Om het recht op reparatie echt effectief te maken, moeten de EU en nationale overheden de regels aanscherpen en het speelveld gelijk trekken. Reparatie moet niet alleen toegestaan zijn, maar ook economisch en praktisch haalbaar voor consumenten en reparateurs.Dat kan bijvoorbeeld door:
- een maximale prijs voor reserveonderdelen
- een verbod op softwarelocks die reparatie blokkeren
- eisen aan ontwerp (niet verlijmd, makkelijk demonteerbaar)
- verplichte beschikbaarheid van onderdelen en handleidingen
Zonder deze maatregelen zal het gedrag van fabrikanten niet structureel veranderen. Consumenten blijven nieuwe elektronica kopen, reparateurs verdwijnen, en de berg afval blijft groeien.
Het recht op reparatie kan een krachtig instrument zijn voor een circulaire economie, maar alleen als overheden ingrijpen. Dat betekent: duidelijke eisen aan ontwerp, eerlijke prijzen voor onderdelen en een verbod op digitale blokkades. Zonder die keuzes blijft reparatie een recht op papier en betalen consumenten én het milieu de prijs.

Reacties
Loading…